Alle berichten van Henk Boersma

Mobiele Vriesche Schutterij

Waar drie families (Fam. Melein en Fam. Hoogeveen Fam Stegenga) elkaar tegen komen bij de Vriesche Schutterij

Antonius Petrus Melein 1791-1840 In 1836 diende hij als Schutter bij het Eerste Bataljon, den Eersten Afdeling Mobiele Vriesche schutterij. Signalement van Antoon,Lengte: 1.78 m, Aangezigt: Grauw, Voorhoofd: Plat, Oogen: Bruin, Neus: Dik, Mond: idem, Kin: Rond, Haar: Zwart, Wenkbraauwen: Zwart, Merkbare teekenen: Gemis van een lid van de centrale vinger
Melin, Antoon geb. Leeuwarden 18.07.1791 z.v. Joseph en Maria Dodeman, vrijwilliger 1e afd., 1e bat., 6e comp. inv.nr.127;
Welmer Kornelis Hogeveen,
Geboren op 16-10-1802 in Scherpenzeel
Overleden op 29-08-1837
Militair in de Friese Schutterij en deel genomen aan de Tiendaagse Veldtocht
2e afd., 1e bat., 4e comp.; 05.08.1831 wegens ernstige ongesteldheid naar het hospitaal getransporteerd; inv.nr.130; Raf Sonnega

Wybren Anes(Stegenga), schutter in het leger van koning Willem I, geboren op 14-02-1800 te Sondel, gedoopt (hervormd) op 09-03-1800 te Sondel, overleden op 12-08-1831 te Leuven op 31-jarige leeftijd, “Gesneuveld voor Leuven” (Dit betreft de Slag bij Leuven aan het eind van de Tiendaagse Veldtocht georganiseerd door koning Willem I der Nederlanden i.v.m. de Belgische opstand)
mobieleSchutterij
Anne Kornelis Hogeveen,
Geboren op 06-03-1806 in Scherpenzeel
Overleden op 21-08-1832 in ’s Hertogenbosch, 26 jaar oud.

Beroep: militair

In augustus 1830 brak in België een opstand uit die uiteindelijk leidde tot afscheiding van het Verenigd Koninkrijk der  Nederlanden en het ontstaan van het huidige koninkrijk België. Koning Willem I wenste zich echter niet bij deze toestand neer te leggen en wilde de Belgen gewapenderhand tot de orde roepen.
Op 2 augustus 1831 trok het leger van de Noordelijke Nederlanden België binnen. Het optreden van dat leger was zo succesvol dat het Belgische leger op het punt stond te worden verslagen en Brussel kon worden binnengetrokken.  Hierop kwamen de Fransen met een leger de Belgen te hulp. Willem I wenste geen confrontatie met het Franse leger en bovendien drong Engeland erbij de Nederlandse koning op aan zijn legers terug te trekken. Hieraan werd op 12 augustus 1831 voldaan. Aldus eindigde de Tiendaagse Veldtocht. Het heeft tot 1839 geduurd voordat de koppige Willem I zich bij de deling neerlegde en een eind kwam wat ook wel spottend “Oranje’s oorlog” werd genoemd.

 

Zoals in vele oorlogen was ook Jan Soldaat de hoofdpersoon in de Tiendaagse Veldtocht en wat daarna nog volgde. De anonieme honger- en dorstlijder in het Nederlandse veldleger in de dertiger jaren van de kneuterige negentiende eeuw. In dat leger heerste nog hetzelfde standsverschil als in het Napoleontische leger. Van het sneuvelen van Jan Soldaat werd de familie niet of nauwelijks op de hoogte gesteld en nauwelijks een overlijdensakte opgemaakt. Ten opzichte van de Franse tijd was er wel een verbetering als je dat tenminste zo kan noemen. In de Staatscourant werden de  namelijk de gesneuvelden/gewonden vermeld. Opvallend is dat bij de Friese schutterij en infanterie bij de officieren wel en de overigen meestal geen initialen worden aangegeven. Als Jan Soldaat in een hospitaal krepeerde werd daarvan wel een overlijdensakte opgemaakt zoals ook onder het Franse regime het geval was geweest. In lang niet alle gevallen werd van die overlijdensakte een afschrift aan de gemeente van inwoning gezonden.

Jan Soldaat moest wel heel moedig, trouw en beleidsvol zijn als hij de Militaire Willemsorde 4e klas verdiende. Deze was meestal voorbehouden aan de officier, vaak van adel en met meer dan een dubbele voor- en achternamen.

Een mooi voorbeeld van het standsverschil en de veronderstelde incompetentie van Jan Soldaat tot bevelvoerend officier bij de schutterij is de benoeming van de Michael Onuphrius. baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, grietman van Het Bildt tot kapitein in het 2e bataljon van de 1e afdeling van de Mobiele Friese Schutterij.

De besturen van de grietenijen mochten een voordracht doen aan de koning voor de commandant en andere officieren van hun schutterijen. Deze moesten “bij hunne geschiktheid voor zoodanige betrekking, tevens deelen in de achting hunner ondergeschikten en door hunne stand in de Maatschappij het vereischte gezag over hen kunnen uitoefenen”

De grietman (=Schwartzenberg) en assessoren van Het Bildt vonden de koopman en bakker Johannes Jans Kuiken te Sint Annaparochie als zodanig geschikt. Hij had gediend bij het 1e bataljon van de 8e afdeling infanterie, weliswaar “niet ten volle aan de vereischten eener Kommandant voldoende, die ons evenwel uit de 137 van de 1e Ban der Rustende Schutterij dezer Grietenij behorende, tot deze betrekking het geschiktste voorkomt”.

De gouverneur des koning in Friesland, A.M.baron van Zuylen van Nijevelt, had bedenkingen tegen deze voordracht. Men had moeten kiezen voor een officier bij ‘t leger of bij de schutterij.

In ieder geval voor “iemand uit den stand der Maatschappij die daardoor over zijne ondergeschikten het vereischte gezag zal kunnen uitoefenen.” Het zal duidelijk zijn dat de koopman en bakker niet voor de functie van officier in aanmerking kwam. Kapitein Michael Onuphrius baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg bleek een goede keus. Met zijn luitenant K.O.van der Veen werd hij benoemd tot ridder in de MWO 4e klasse en op 10 october 1831 meer dan 50 jaar oud, op eigen verzoek eervol bij de schutterij ontslagen.

Er is een interessant verslag bewaard gebleven van Harmanus Boekhout Klaasesz te Ternaard, luitenant bij de 1e afdeling, 3e bataljon, 5e compagnie bewaard gebleven onder de titel “Herinneringen van een Friesche schuttersofficier 1831-1834. Hij was een zoon van de Dokkumer notaris Jan Klaasesz. en vertelt zijn belevenissen als schuttersofficier. Over het wel en wee van zijn manschappen wordt met geen woord gerept. De enige keer dat hij deze noemt is als hij met een aantal van hen kaart en opmerkt dat zij wel verguld zullen zijn geweest dat hun luitenant bij hen aanschoof.
korporaal%20inleiding
Een korporaal sluit een kennelijk aangeschoten soldaat op onder de toren.

Ook de geneesheer Hendrik Gerrit Cannegieter besteedt als kapitein bij de Mobiele Friese Schutterij nauwelijks aandacht aan  de manschappen van de kompagnie waarover hij het bevel voerde. Manschappen die hij overigens constant als “volk” aanduidt.  Ook Tjalling Minno Watze baron van Asbeck, commanderende het 1e bataljon van de 2e afdeling der Mobiele Friese Schutterij geeft in zijn Journaal een overzicht van zijn belevenissen. Interessant zijn de belevenissen van de dienstplichtig soldaat Hessel Brolsma uit Stiens tijdens de Belgische Opstand samengesteld uit zijn bewaard gebleven 84 brieven weergegeven in “Een slagje hier en daar” (Brolsma, Ulke Hesel, Ljouwert/Utert 2006).

Een ander voorbeeld is het standsverschil in de bestraffing der manschappen en officieren. Een Noordhollandse schutter beklaagt zich daarover bij dronkenschap en andere uitspattingen. Kwam Jan Soldaat te laat of aangeschoten binnen dan kon hij op een paar dagen provoost rekenen. En er werd louter uit verveling wat afgezopen op de Brabantse heide. Kwam een officier laveloos binnen of had hij in het dorp de beest uitgehangen, dan werd hij netjes door de wacht in zijn tent afgeleverd en kraaide er verder geen haan naar.
Op 2 augustus 1831 beginnen de drie Nederlandse divisies aan hun opmars naar de Belgische grenzen. De volgende dag staat het gehele leger op Belgisch grondgebied. Belangrijke schermutselingen met het Belgische leger hebben dan nog niet plaats gevonden

Op 5 augustus 1831 raakt het peloton Vrijwillige Leidse Jagers, dat deeluitmaakte van de derde divisie, te Beeringen in gevecht met Belgische eenheden. Het kost het leven aan een 19-jarige Leidse student, de eerste van de divisie. De 6e augustus is een rustdag voor de drie divisies. De reserve-divisie met de Friese schutters is echter nog steeds in opmars. Deze divisie is de eerste dagen van augustus langzaam België binnengetrokken langs de straatweg van Eindhoven naar Hasselt. Op 5 augustus heeft het te Hechtel een kort vuurgevecht met een Belgisch bataljon plaats dat zich echter al spoedig terugtrekt. De commandant van het Belgische Maasleger krijgt order naar Hechtel op te rukken. De Belgische legerleiding heeft echter geen idee van het doel van de Nederlandse opmars. Zo bevindt zich het Belgische Maasleger op 6 augustus in de direkte omgeving van de Nederlandse reserve-divisie dat die dag de opmars over de straatweg naar Hasselt voortzet.  Zonder dat het de noodzakelijke verkenningen uitvoert denkt het hoofdkwartier dat het Belgische Maasleger zich in de omgeving van Hasselt en Tongeren bevindt.

Zo bevindt het Belgische Maasleger op 6 augustus op in de direkte omgeving van de Nederlandse reserve-divisie. Deze divisie ontmoet hetzelfde bataljon Belgen als de vorige dag. Het Belgische bataljon trekt zich daarop terug in de richting van Houthaelen.  Even ten zuiden van dat dorp ligt de Winterslagse heide waar het gehele Belgische Maasleger in gevechtsopstelling de vijand staat op te wachten. Cort Heyligers, de commandant van de reserve-divisie begrijpt dat hij in een netelige positie is terecht gekomen.
winterslase heide
Belgische troepen tegenover Friese schutters in gevecht op de Winterslagse Heide

10.000 man bij 6.000 man Nederlandse hoofdzakelijk bestaande uit schutters!   De Nederlandse commandant besluit echter het eenmaal begonnen gevecht voortgang te zetten. Zijn tactiek is erop gericht de vijand in de waan te laten met een grote overmacht te doen te hebben. Terugtrekken zou bovendien ernstige gevolgen hebben voor het welslagen van de veldtocht. Het gevecht duurt met wisselend succes de gehele dag door. Uiteindelijk is er nog een vers bataljon, het 2e bataljon van de 2e afdeling der Mobiele Friese Schutterij onder commando van de luitenant-kolonel Tjalling Tjallingii.het 2e bataljon van de 2e afdeling van de Mobiele Friese Schutterij.
De Friezen doen de kansen keren en bereiken de eerste huizen van Houthaelen. Daarna weten Noordhollandse en Gelderse schutters een Belgische tegenaanval af te slaan. Bij de invallende duisternis worden de gevechten gestaakt. Er is geen verliezer en winnaar. Aan Nederlandse zijde zijn 16 gesneuvelden en 77 gewonden.

Na een rustdag op 6 augustus 1831 zet de hoofdmacht van het Nederlandse leger zich in beweging met het doel het Belgische Maasleger te verslaan. Daarbij zal op zondag 7 augustus in de buurt van Kermpt een van de bloedigste gevechten van de hele veldtocht plaatsvinden. Daarbij was de 3e divisie betrokken waarvan ook het 2e bataljon van 1e afdeling van de Mobiele Friese Schutterij betrokken. De situatie wordt door de staf van de 3e divisie danig onderschat. Deze denkt dat het treffen niet meer is dan een voorpostengevecht. Het heeft in feite echter met een groot deel van het Belgische Maasleger te maken. Na aan beide zijden met wisselend succes te hebben gestreden brengt kolonel Stoecker de volledige Nederlandse 1e brigade in de strijd. Daarbij zet een bataljon Friese schutters onder donderende”hoera’s”een onstuimige tegenaanval. Er ontstaat al spoedig een gevecht van man  tegen man waarbij de Friezen hun jachtmessen gebruiken. Zij klagen er namelijk over dat de kolven van hun geweren te licht zijn om daarmee de Belgische koppen te verpletteren. De verliezen aan beide zijden zijn hoog. De Nederlandse verliezen waren 89 doden en gewonden. Onder de Belgen worden de Friese schutters gevreesd: “zij hebben geen politesse, zij slaan met kolven en steek met messe”. De verliezen van de 5e compagnie van kapitein Hendrik Gerrit Cannegieter waren 3 man en 9 gewonden. Voor zover de namen van de gesneuvelde/gewonde Friezen bekend zijn, zijn deze opgenomen in de bestanden Friese schutters en Andere Friese militairen.  De volgende dag worden de lijken gevonden van een Friese schutter en zijn Belgische tegenstander. Zwaar gewond hadden zij nog kans gezien elkaar te wurgen. Andere lijken waren geheel ontkleed. Voor hen die nog in 1815 bij Quatrebras hadden gevochten geen onbekend verschijnsel. Cort Heyligers, de commandant van de reserve-divisie geeft de Friezen een eervolle vermelding in zijn dagorder van 7 en 8 augustus 1831

Van de schutters die aan de Tiendaagse Veldtocht deelnamen, leden de Friese schutters de  grootste verliezen. Volgens de gegevens in een Staatscourant in 1831 telden zij 14 gesneuvelden en 63 gewonden. Van de gewonden overleed een aantal kort na het gevecht of later alsnog in een (ambulant) hospitaal. Opvallend is dat in het overzicht van de gesneuvelden en de gewonden in de literatuur bij de officieren wel en bij de overige manschappen zowel bij de schutters als infanteristen geen initialen worden vermeld ( zie Staatscourant).
kermpt2a
Friese schutters bij Kermpt

Leefomstandigheden

Het was een warme dag, die 2de augustus 1831 toen de opmars naar Belgisch gebied begon. Aan de voedselvoorziening van het oprukkende leger mankeerde echter van alles. Wat dat betreft hadden de officieren die nog onder Napoleon hadden gediend, weinig geleerd. Zo was erop die hete dag nergens water te vinden. Bij een aantal onderdelen is ook de voeding beslist onvoldoende. De soep is dikwijls zo zout dat de dorst alleen maar erger wordt. Opvallend is dat in de lijsten van de Friese schutters die worden voorgedragen voor Het Metalen Kruis op 2 augustus 1831 veel aantekeningen voorkomen van opnamen in een hospitaal.

Mogelijk ook veroorzaakt doordat velen het marcheren door het rulle zand op snikhete dagen teveel werd. Het geweer op zich met vijftig patronen was al zwaar. Dan nog een broodzak met wat levensmiddelen en een veldfles. ( die overigens meestal leeg waren) en dan nog een ransel van 10 tot 15 kg.

Om de bepakking lichter te maken worden allerlei overbodige kledingstukken stiekem weggegooid en ligt de weg bezaaid met uitrustingsstukken. Het aantal achterblijvers groeit gestadig. Van hen moeten zeker twee de mars met de dood bekopen. Ook neemt het aantal deserteurs toe.

Flankeur der schutterij

Flankeur der schutterij

Soms komt het tot ongeregeldheden als ‘s avonds wordt gebivakkeerd en weer geen voldoende voedsel en drinken aanwezig blijkt te zijn. Het gevolg zijn plunderingen waarbij het soms hardhandig toegaat.
Het opperbevel komt dit ter ore met gevolg dat met betaalde vordering van voedsel het probleem enigszins wordt verbeterd. Het kan niet uitblijven of de Belgische pers komt dit ter ore en werkt als koren op de molen van de nieuwe Belgische regering.
Na de wapenstilstand van 12 augustus 1831 weer in Nrd.Brabant teruggekeerd, worden de leefomstandigheden nauwelijks beter. Deze omstandigheden waren op het Brabantse platteland in vergelijking met Friesland ronduit  slecht. De boerenbevolking was arm en de grond idem.

De mannen werden gelegerd in tentenkampen of ondergebracht bij particulieren. Op het Brabantse platteland hoofdzakelijk bij boeren. Het verblijf in een legertent was vooral in de zomer beter dan in de wel heel kleine kamertjes en lage zolderingen van de Brabantse woningen.

Legerkamp te Oirschot

Legerkamp te Oirschot

Na de Tiendaagse Veldtocht marcheerden de verschillende legerafdelingen op het Brabantse Legerkamp te Oirschot platteland nogal wat heen en weer. Soms was het kamp nauwelijks ingericht of er kwam bevel om de zaak weer op te breken.
De legerkampen op de Brabantse heide waren vaak op onbeholpen wijze geïmproviseerd. Zelfs naar Nederlandse begrippen waren de sanitaire voorzieningen ten hemel schreiend.  Goed drinkwater was nauwelijks aanwezig en van wassen was helemaal geen sprake. Het was geen wonder dat op 29 augustus 1832 in het kamp te Oirschot de cholera uitbrak. In snikhete tenten lager de zieke soldaten bij tientallen op het stro dat door hun diarree was bevuild en begonnen te stinken. Er waren nauwelijks hospitaalsoldaten. Vaak waren dat sappeurs (geniesoldaten).Ook de dienstdoende militaire geneesheren konden nauwelijks iets uitrichten.

Vermoedelijk verblijft de compagnie van de eerder aangehaalde Cannegieter in augustus 1832 in het legerkamp te Oirschot. Zijn handschrift vermeldt: “tot overmaat van ramp kwam de cholera ons hier ( = Oirschot) een bezoek brengen”, doch over de slachtoffers geen woord.

Opvallend is het aantal vermeldingen van een opname in een hospitaal. Helaas wordt daarbij nooit de oorzaak vermeld. Wie de literatuur op dit punt leest krijgt de indruk dat de gevolgen van de cholera werden gebagatelliseerd of met opzet verzwegen. Hoewel van zijn onderdeel een aantal manschappen in het hospitaal te Bergen op Zoom overlijden, rept  luitenant Klaasesz uit Ternaard in zijn verslag met geen woord over de ziekte. De schutters Paulus Kornelis Buwalda uit Lioessens schrijft in zijn brief naar huis van 12 juli 1832 uit Geldrop bijna angstig dat “de ziekte” steeds dichter bij schijnt te komen.

 

De meeste Friese schutters zijn minstens 4 jaar van huis geweest. Wel werd een periodiek verlof van vaak veertien dagen verleend. Reisgeld werd niet verstrekt en hoe groot de soldij was heb ik niet kunnen ontdekken. Een Amsterdamse schutters vermeldt in zijn dagboek dat hij 75 cent traktement ontving. Dat lijkt mij teveel voor 1 dag.
Op 6 september 1834  wordt het bataljon Friese stedelijke schutterij onder commando van  J.G.van Wageningen en dat der landelijke schutterij onder bevel van commandant Ampt  feestelijk in Friese de hoofdstad ingehaald. In de loop van 1834 zijn de meeste Friese schutters die aan de krijgsverrichtingen in 1830 en 1831 hebben deelgenomen weer naar hun woonsteden teruggekeerd. Nieuwe lichtingen hebben dan hun plaats ingenomen

 

 

 

Pieter Sikkes en Grietje Christiaans

Pieter Sikkes
Geboren 27-7-1768 te Bergum
Van beroep zeilmakersknecht
Heeft 21 februari 1912 de naam –de Vries– aangenomen
Overleden 27-12-1813 (45 jaar oud)
Getrouwd 25-10-1792 met 1e vrouw Sibbeltje Luitjens
(kinderen Pieter en Sibbeltje)

  • Sikke Pieters,
    geboren 10-08-1793
  • Sikke Pieters,
    geboren 14-10-1797
  • Luitzen Pieters
    geboren 05-10-1798

Getrouwd 23-07-1805 met 2de vrouw
Grietje Christiaans,
Geboren 10-8-1766,
Overleden 29-9-1826
(Grietje was weduwe van de soldaat Johan Jeremias Krips in het regiment van de Grave de Mallebois, alhier in garnizoen leggende met wie ze in 1789 te Lemmer was getrouwd. Kinderen Dirkje Johannes(1791), Christiaan Johannes(1793), Johanna Johannes(1797 jong overleden), Johanna Johannes(1801))
(Kinderen Pieter en Grietje)

  • Marten Pieters
  • Geertje Pieters
    Geboren 23-10-1811
    Overleden 19-3-1812 (4 maanden oud)

Grietje Christiaans tweede vrouw van Pieter Sikkes
Geboren 10-8-1766
Overleden 29-9-1826
Getrouwd 1789 met eerste man
Johan Jeremias Krips
(Kinderen Grietje en Johan) 

  • Dirkje Johannes Krips
    Geboren 1791
    Overleden 21-11-1851
    Getrouwd met
    Elderts Postma
    (hun kind)

    • Eldert Postma
      Geboren 3-11-1824
      Overleden 6-11-1825
  • Christiaan Johannes Krips
    Geboren 1793
    Overleden
    Getrouwd met
    Tettje Pieters van der Goot
    (Hun kinderen)

    • Grietje Krips
      Geboren 9-12-1822
      Overleden 11-1-1899
      Getrouwd 3-6-1838 met
      Klaas Clazes de Weerd
      (Hun kinderen)

      • Klaas de Weerd
        Geboren 26-8-1839
      • Christiaan de Weerd
        Geboren 7-11-1842
        Overleden 11-12-1842 (1 maand oud)
      • Tettje de Weerd
        Geboren 3-12-1845
      • Froukje de Weerd
        Geboren 3-12-1847
      • Christiaan
        Geboren 25-6-1850
      • Obbe
        Geboren 27-2-1863
    • Trijntje Krips
      Geboren 18-8-1829
      Overleden 14-10-1872 (43 jaar oud)
      Getrouwd 25-5-1856 met
      Sjoerd Binkes Bakker
      (Hun kinderen)

      • Binke Bakker
        Geboren 15-3-1857
      • Levenloos kind
        Geboren 30-9-1858
      • Christiaan Bakker
        Geboren 15-1-1860
      • Sipke Bakker
        Geboren 2-9-1862
    • Johanna Krips
      Geboren27-2-1831
      Overleden 15-12-1904
      Getrouwd 16-1-1859 met
      Bouwe Alberts Dijkstra
      (Hun kinderen)

      • Albert Dijkstra
        Geboren 2-11-1859
      • Tettje Dijkstra
        Geboren 27-2-1861
      • Geertje Dijkstra
        Geboren 6-12-1866
  • Johanna Johannes Krips
    Geboren 1797 (jong overleden)
  • Johanna Johannes Krips
    Geboren 1801
    Getrouwd 16-5-1830 met
    Cornelis Tjepkes van Putten
    (Hun kinderen)

    • Tjepke van Putten
      Geboren 13-7-1831
      Overleden 26-12-1838 (7 jaar oud)
    • Grietje van Putten
      Geboren 7-1-1834
      Getrouwd 30-11-1872 met
      Uiltje Hof
      (Hun kinderen)

      • Cornelis Hof
        Geboren 26-1-1874
      • Dirk Hof
        Geboren 17-12-1878
    • Johannes van Putten
      Geboren 30-5-1836
      Overleden 14-10-1914
      Getrouwd 20-4-1862 met
      Rinske Pieters Bakker
      (Hun kinderen)

      • Johanna van Putten
        Geboren 6-12-1862
        Getrouwd met
        Gustaaf Alexander de Weille (boekdrukker)
      • Pietje van Putten
        Geboren 20-5-1868
        Getrouwd 9-7-1897 met
        Ate de Boer
      • Cornelis Tjepke van Putten
        Geboren 3-9-1870
        Getrouwd14-6-1895 met
        Grietje Postma
        (Hun kind)

        • Johannes van Putten (Koperslager te Lemmer)
          Geboren 27-2-1896
          Overleden 26-4-1974
          Getrouwd 16-6-1920 met
          Ynskje van Brug
          Geboren 27-4-1896
          Overleden 7-2-1973
      • Wietske van Putten
        Geboren 28-8-1838
        Overleden 28-10-1910
        Getrouwd 21-5-1876 met
        Jan van der Meer
        (Hun kind)

        • Cornelis van der Meer
          Geboren 30-9-1878

 

 

In Memoriam Tjitte Klaas de Vries

2015-03-18 20.18.26

Tjitte Klaas Vries

Geboren 11-07-1949


2015-03-18 14.48.37
Overleden 14-4-2000
2015-03-26 14.01.54

Getrouwd 28-11-1975 met
Ieke Visser
2015-03-01 08.56.00

Geboren 12-2-1954

In memoriam Gereformeerde Gemeente Lelystad

Op de late avond van 14 april 2000 werden we opgeschrikt door het plotselinge overlijden van onze geliefde ambtsbroeder Tjitte Klaas de Vries. Geboren te Lemmer op 11 juli 1949 en op zijn huwelijksdag zich gevestigd hebbende te Lelystad is hij aldaar in de leeftijd van 50 jaar op Gods tijd overleden.

Na een –vermoedelijk-ernstig hartinfarct mocht medische hulp niet meer baten.

Toen het de volgende ochtend bekend werd ging er een golf van ontroering door de Gemeente en was de verslagenheid groot.

Onpeilbaar diep is het verdriet voor Ieke, Ane Marten en Corinda, Catharina en Jan en voor Klaasje. Op de daaraanvolgende zondag stond zijn stoel in de consistorie leeg en was er ook een lege plaats in de kerkenraadbank.

In de middagdienst zou broeder De Vries door ds. Kattenberg opnieuw in het ambt van diaken worden bevestigd.

Op woensdag 19 april is hij onder grote belangstelling begraven.

Ds. Vreugdenhil schetste de grote plaats die broeder De Vries in de gemeente mocht hebben, vanwege zijn dienende liefde in velerlei opzichten in de achterliggende jaren in en aan de gemeente betoond.

Ruim 10 jaar diende hij de gemeente als diaken.

Na de rouwdienst begaf zich een grote stoet naar de gemeentelijke begraafplaats aan de Oostranddreef.

Bij het graf sprak ds. Vreugdenhil nog kort over Jesaja 43 vers 1 en 2.

Na het lezen van de geloofsbelijdenis werd de begraafplaats verlaten en teruggekomen in de kerk besloot ouderling Den Breejen de begrafenisplechtigheid met het lezen van Jesaja 40 en gebed.

 

Christiaan de Vries gesneuveld in de Tweede Wereldoorlog

Christiaan (De zoon van Hillebrand de Vries en Ienigje de Oude)
Geboren 16-01-1911
Gesneuveld 12-5-1940 in het begin van de tweede wereldoorlog.

oom christiaan

chris  in uniform

Christiaan de Vries geboorteplaats Lemmer
geboortedatum 16 – 01 – 1911
plaats van overlijden Achterveld
datum van overlijden 14 – 05 – 1940
beroep Korporaal
groep Koninklijke Landmacht
chris straat

Christiaan de Vries, geboren op 16 januari 1911 in Lemmer. Hij sneuvelde tijdens de meidagen op 12 mei 1940 te Achterveld. Begraven op de oude algemene begraafplaats te Lemmer. Christiaan was van beroep drukker, begonnen te Lemmer later vertrokken naar Voorburg. Hij behoorde tot het gezin van Hillebrand de Vries hetwelk 6 kinderen telde. Op de Grafsteen staat vermeld geboren 16 januari 1911, gesneuveld te Achterveld 12 mei 1940 Psalm 90 vers 12.
In het buurtschap “De Kieftkamp”waar Christiaan sneuvelde is een rood bordje geplaats met de tekst -“Gevallen maar zijn roeping vervuld J. Aantjes, huzaar V. de Vries, korporaal gesneuveld in De Kieftkamp 13 mei 1940″-.
Op 12 mei 1940 was de 227ste divisie van de Duitse troepenmacht doorgedrongen op de Veluwe. Vervolgens werden door de bezetter vanuit Barneveld verkenningen uitgevoerd richting Amersfoort. Bij de weg van Terschuur naar Achterveld kwam het 1ste  Regiment Huzaren in botsing met de bezetter. In en rondom het dorp werd door verschillende  groepen huzaren fel gevochten. Het was een ongelijke strijd, waarbij ongeveer zestig huzaren krijgsgevangen werd gemaakt. Enkele huzaren wisten te ontkomen en hebben de regimentscommandant bereikt.
Op 16 mei 1990 is een gedenksteen in het centrum van Achterveld onthuld met 14 namen van de gevallen militairen van het 1ste Regiment Huzaren.
2015-03-18 10.31.47

Meidagen 1940;
achterveld
Verwoestingen; Woningen Achterveld; Nederland; Utrecht (provincie)

Hendrik van Gorkum 
Geboren:   17-09-1914
Rang:   G.D.
Stam:   3RI
Woonplaats: Ridderkerk
Beroep:   Koperslager
mill1940_101
CP%20MC-1-3RI%20nogmaals%20een%20opname%20van%20beschadiging
Gesneuveld rond half 10, tijdens het bedienen van de mitrailleur bij de CP. Hij had een schot door de helm. Het is de zelfde mitrailleur waarachter De Vries gesneuveld is.
2015-03-18 10.15.12

Opdracht le Regiment Huzaren
Het le Regiment Huzaren met onder bevel het 5e Regiment Huzaren vertraagt in het vak van IVe Legerkorps, volgens onderstaande richtlijnen, een vijandelijke opmars op de Veluwe.
reghuzsytz-64
Deze vertraging dient te geschieden met vooruitgeschoven onderdelen aan het Apeldoorns Kanaal, en het vernietigen van alle bruggen over dit kanaal. Met het gros van het versterkte regiment de vertraging zoeken in de algemene lijn Harderwijk-Ermelo-Garderen-Harskamp door het stellen van voorbereide hindernissen en vernielingen, teneinde met zoveel mogelijk troepen intact als reserve binnen de stelling van het IVe Legerkorps te komen.Terugtochtsassen:
– kunstweg Amersfoort-Apeldoorn
– kunstweg Amersfoort-Zwolle
Na de terugkeer in de stelling, verzamelen in het gebied Soesterberg-Huis ter Heide. Zuid van het Regiment treedt het 3e Regiment Huzaren in het vak van het IIe Legerkorps op met een zelfde opdracht.
Plan commandant le Regiment Huzaren
De vertraging zal worden uitgevoerd in vier vertragingslijnen:
– lijn A: Apeldoorns Kanaal;
– lijn B: Ermelo-Speulde-Garderen-Kootwijkerbroek;
– lijn C: Putten-Voorthuizen-Barneveld;
– lijn D: IJsselmeer-Nijkerk-Terschuur-Hoevelaken.
1 R.H. zuid en 5 R.H. noord.
Uitvoering van het plan
1 R.H.
Lijn A:
3-1 R.H. noord; 2e Eskadron Pantserwagens (-) zuid. Na uitvoeren van de taak aan het Apeldoorns Kanaal 2e Eskadron Pantserwagens ter beschikking in de lijn B. 3-1 R.H. naar de lijn C.
LijnB:
4-1 R.H. in de lijn Valk-Kootwijkerbroek;
2-1 R.H. (bereden) omgeving Stroe en aan de spoorweg Amersfoort-Apeldoorn;
5-1 R.H. aan de grote weg Amersfoort-Apeldoorn ter hoogte van Houtdorp;
1-1 R.H. (bereden) omgeving Garderen;
1-3 R.H. (bereden) achterwaarts, als reserve aan de kunstweg Amersfoort-Apeldoorn.
Het Eskadron Zware Mitrailleurs, het Eskadron Pag. en de verouderde pantserwagens in de lijn B.
LijnC:
4-1 R.H. omgeving Barneveld;
2-1 R.H. (bereden) spoorweg Amersfoort-Apeldoorn;
1-1 R.H. (bereden) noord van Voorthuizen;
3-1 R.H. Boschuisje verder noord van Voorthuizen;
5-1 R.H. omgeving Voorthuizen;
1-2 R.H. (bereden), reserve omgeving Klaarwater 3 km. noordwest van Hoevelaken
5 R.H.
|Lijn B: Twee eskadrons;
Lijn C: Twee bereden eskadrons
(zie verder optreden van 5 R.H.)
commandopost 1 R.H.: Voorthuizen.
10 mei 1940
Om 05.00 uur hadden alle onderdelen van het versterkte 1 R.H. hun opstellingen ingenomen. Om 06.10 werd opdracht gegeven om de 27 bruggen over het Apeldoorns Kanaal te laten springen. De cavalerieonderdelen in de lijn A werden in het uitvoeren van deze opdracht bijgestaan door een daartoe aangewezen pioniercompagnie 3-1 R.H., het 2e Eskadron Pantserwagens ging daarna terug in of nabij de lijn B, waarbij het Eskadron Pantserwagens op zijn terugtochtweg nog enige vernielingen moest uitvoeren.
De terugtocht werd begonnen zonder in contact met de vijand te zijn geweest. De regimentcommandant bleef dus in het ongewisse of in zijn vak de vijand al of niet aanwezig was. Om 09.45 uur werd C. 1 R.H. door de Commandant IVe Legerkorps ingelicht dat 4 R.H. was teruggegaan. In verband met deze informatie besloot C. 1 R.H. teneinde een omtrekking door de vijand te voorkomen de lijn B los te laten en terug te gaan op de lijn C.
In de loop van de dag kwam een bericht binnen dat vijandelijke vliegtuigen bij Radio Kootwijk waren geland. Een peloton pantserwagens werd naar Radio Kootwijk gezonden met de opdracht hier tegen op te treden. De melding bleek achteraf op een misverstand te berusten. Het peloton keerde bij het regiment terug zonder met de vijand in contact te zijn geweest.
Om 18.12 ontving C. 1 R.H. bericht dat 4 R.H. achter de stelling van het IIe Legerkorps was teruggegaan. In verband hiermee gaf de Commandant IIe Legerkorps de opdracht dat het le regiment Huzaren een opstelling moest innemen in de lijn D. Deze lijn had een verloop van noord naar zuid en was ongeveer 6 kilometer oost om Amersfoort getrokken. Om 23.30 uur gelastte Commandant IVe Legerkorps, op grond van een door de Commandant Veldleger gegeven bevel, dat alle bereden onderdelen achter de stelling terug moesten gaan en zich moesten verzamelen in de omgeving van Soesterberg. Alle bereden eskadrons kwamen onder bevel van C. 5 R.H.
Voor C. 1 R.H. betekende dit bevel een aanzienlijke aderlating van zijn sterkte, immers: niet alleen 1-2 R.H, 2-2 R.H. en 1-3 R.H, moesten terug, maar ook geheel 5 R.H.
Voor het bezetten van de lijn D had 1 R.H. nu nog slechts ter beschikking drie eskadrons Wielrijders, het Eskadron Zware Mitrailleurs, het Eskadron Pag., de Sectie Mortieren van 8, het 2e Eskadron Pantserwagens (minus twee pelotons) en het Peloton verouderde Pantserwagens.
reghuzsytz-b18
11 mei 1940
In de vroege ochtenduren was de opstelling in de lijn D:
– 5-1 R.H. versterkt met een Sectie zware mitrailleurs, de Sectie mortieren van 8 en twee stukken Pag. te Klaarwater, 2 kilometer ten oosten van Hoevelaken;
– 3-1 R.H. versterkt met een peloton Pantserwagens en een sectie Zware Mitrailleurs ten zuidwesten van Nijkerkerveen;
– 4-1 R. H. versterkt met een peloton Pantserwagens en een sectie Zware Mitrailleurs ten zuidwesten van Nijkerk aan de grote weg.
De commandopost van C. 1 R.H. was te Vinkenhof (kruispunt Hoevelaken).
In de loop van de morgen werden door het 2e Eskadron Pantserwagens verkenningen verricht naar de IJssel en voorbij Apeldoorn. Hierbij werd niet op de vijand gestoten. Alle bruggen over de IJssel waren zoals reeds eerder gezegd op tijd gesprongen. De Duitsers waren verplicht bij Westervoort een brug te slaan en hiermee was klaarblijkelijk hun brugslagpotentieel uitgeput. Daarenboven zullen de troepen bestemd voor de aanval op de Grebbeberg voorrang op de pontonbrug bij Westervoort hebben gehad.
In de middag kwam een bevel binnen waarbij het 2e Eskadron Pantserwagens (minus drie pelotons) en het Peloton verouderde Pantserwagens werd opgedragen zich naar Den Haag te verplaatsen. Hierdoor bleef nog slechts één peloton Pantserwagens ter beschikking van C. 1 R.H.
resterende peloton Pantserwagens voerde in het begin van de middag een verkenning op de Veluwe uit in de richting Apeldoorn, waar op dit moment reeds Duitse troepen aanwezig waren. Omstreeks 17.00 uur kwamen de laatste IJsseltroepen door de lijn D. Korte tijd later werden er in het voorterrein vijandelijke pantserwagens waargenomen.
Om ongeveer 18.00 uur viel een peloton van 3-1 R.H. bij de Mheen, 2,5 kilometer noordwest van Barneveld in een hinderlaag, waarbij een korporaal en vijf huzaren sneuvelden. Het tegen deze vijand ingezette peloton Pantserwagens ontmoette 1,5 kilometer van Voorthuizen zware weerstand.
Eveneens om 18.00 uur werd 5-1 R.H. bij de brug over de beek te Klaarweater aangevallen door vijandelijke pantservoertuigen, welke werden gesteund door infanterie op auto’s en motorrijders.
Ongelukkigerwijze hadden de stukken Pag. net opdracht gekregen een andere opstelling in te nemen, waardoor het eskadron nu zonder pantserafweermiddelen tegenover de vijand stond. Door gebrek aan springmiddelen kon de brug niet meer worden opgeblazen. De op de weg staande versperring van karren en dergelijke werd eenvoudig door de vijandelijke pantservoertuigen van de weg afgedrukt. 5-1 R.H. week al vurende voor de vijand en kwam binnen de voorposten. De vijand zette geen achtervolging in. De Sectie Mortieren van 8, onder aanvoering van de kornet C.P. Gülcher, opende met zijn beide mortieren het vuur op de vijandelijke pantservoertuigen en boekte voltreffers. De vijand maakte halt en trok zich terug. Van dit treffen vlak voor de stelling ontving C. 1 R.H. enige tijd later bericht. Na dit bericht machtigde C. 1 R.H. 3-1 R.H. en 4-1 R.H. voor overmacht terug te gaan, maar Hooglanderveen in geen geval los te laten.
Gezien het feit dat de vijand dichtbij was werden de ‘asperges’ in de verschillende toegangswegen geplaatst, behalve in de weg over Hooglanderveen. Over deze weg kwamen 3-1 R.H. en 4-1 R.H. in de loop van de avond binnen de stelling, waarbij zij ongelukkigerwijze onder het vuur van de voorposten kwamen te liggen, die in de veronderstelling verkeerden dat de vijand naderde.
De Commandant IVe Legerkorps kon zich echter niet met het teruggaan van de eskadrons verenigen en gaf opdracht dat deze opnieuw voor de stelling moesten optreden. De drie eskadrons werden verzameld in de omgeving van de commandopost, gelegen aan de oostelijke uitgang van Amersfoort nabij het kruispunt Hoevelaken.
De nieuwe opdrachten luidden voor:
4-1 R.H. versterkt met een sectie zware mitrailleurs: opstelling aan de weg en spoorweg naar Apeldoorn, 1 kilometer zuidoost van kruispunt Hoevelaken. Opdracht: het uitvoeren van verkenningen in de richting van Achterveld en 4 kilometer zuidoost daarvan;
5-1 R.H. versterkt met een sectie zware mitrailleurs: opstelling 1,5 kilometer ten oosten van het kruispunt Hoevelaken. Opdracht: het uitvoeren van verkenningen in de richting Terschuur en 4 à 5 kilometer oost daarvan;
3-1 R.H. versterkt met een sectie zware mitrailleurs: opstelling 3 kilometer zuidwest van Nijkerk. Opdracht: het uitvoeren van verkenningen in de richting van Nijkerk en oost daarvan.
Aangezien de asperges gesloten waren, konden de stukken Pag. niet worden meegenomen. De zware mitrailleurs, de mortieren en de daarbij behorende munitie werden in draaglasten te voet meegenomen.
Bij het doorschrijden van de aspergeversperring gaf de infanterie, die blijkbaar niet op de hoogte was gebracht van de verplaatsing, stormvuur af. Dit vuur, dat ongeveer een half uur duurde, noodzaakte het eskadron in dekking te gaan en was daarna moeilijk te verzamelen. Helaas waren door deze beschieting ook enige huzaren gewond geraakt.
12 mei 1940
Door de beschieting en de daardoor ontstane verwarring was veel tijd verloren gegaan, waardoor de drie eskadrons pas om 05.30 uur de hun aangewezen opstellingen hadden bereikt. Net ter plaatse aangekomen kreeg 4-1 R.H. vijf vijandelijke pantserwagens onder vuur. Na een hevig vuurgevecht trok de vijand terug op Terschuur.
Om 10.00 uur gingen de drie eskadrons met een enigszins gewijzigde opdracht voorwaarts:
4-1 R.H. naar Achterveld met opdracht te verkennen in de richting Barneveld;
5-1 R.H. naar Terschuur met opdracht te verkennen naar Voorthuizen;
5-1 R.H. naar de noordoost rand van Nijkerk met opdracht te verkennen in de richting van Putten en Ermelo
4-1 R.H. onder aanvoering van de reserve ritmeester mr. A.L.F.J. de Vries ging halverwege Hoevelaken-Terschuur van de spoorweg en de grote weg naar Apeldoorn af naar het zuiden en volgde de weg die loopt van Terschuur naar het 4 kilometer zuidwaarts gelegen Achterveld. Aangezien de brug in deze weg over de Barneveldse Beek was opgeblazen werd deze beek doorwaad. Hierna ontving het eskadron vijandelijk vuur.
Met de eskadronscommandant aan het hoofd ging het eskadron onmiddellijk tot de aanval over en wist de vijand op Achterveld en in oostelijke richting naar Barneveld terug te werpen. Bij deze aanval werden enige krijgsgevangenen gemaakt.
De vijand waarmee het eskadron in gevecht was geraakt bestond uit een bataljon infanterie, een antitank compagnie, een genie compagnie en een batterij artillerie. De krachtsverhouding viel van meet af aan ongunstig uit ten opzichte van het eskadron.
Toen het eskadron bij de kerk van het dorp was gekomen, werd het uit twee richtingen hevig aangevallen. De eskadronscommandant, die met zijn PCn. de huzaren voorging, werd hierbij aan zijn knie gewond. Met de woorden ‘Geeft niets, ik geef het nog niet op’ stelde hij zijn omgeving gerust. Een aantal Duitsers die de eskadronscommandant, mr. A.L.F.J. de Vries, sommeerde zich over te geven kregen te horen: ‘Dat nooit, leve de Koningin!’ Kort daarna greep hij een karabijn en riep: ‘Stormen’. Onmiddellijk daarop werd hij door een kogel dodelijk getroffen. De kornet P. Rink, commandant van een peloton, die eveneens moedig zijn huzaren aanvoerde, werd door een granaatscherf dodelijk aan het hoofd getroffen.
Op de westvleugel was een ander peloton vastgelopen tegen zwaar vijandelijk vuur. De pelotonscommandant, de reserve le luitenant H. Simon Thomas, werd dodelijk door een kogel getroffen, juist toen hem het bericht door een ordonnans werd gebracht dat de ritmeester was gesneuveld. Drie van de pelotons waren in een hevig gevecht gewikkeld en het vierde peloton dat in tweede lijn lag kreeg vuur van achteren. De pelotonscommandant, de opperwachtmeesterinstructeur J.H. van Melic, die zijn huzaren krachtig aanmoedigde met de woorden ‘Overwinnen of sterven’, werd zwaar gewond en is enige tijd daarna aan deze verwondingen overleden. Van het eskadron waren op dit moment de eskadronscommandant, een luitenant, een kornet, een opperwachtmeester, twee wachtmeesters, een korporaal en vijf huzaren gesneuveld en waren er velen gewond. Het eskadron was nu geheel omsingeld en de vijand drong van alle zijden op.
De overgebleven pelotonscommandant, een wachtmeester die nu het commando had overgenomen, trachtte de restanten van het eskadron te verzamelen om zich aan de groep van de vijand te onttrekken. Deze poging mislukte. Velen hebben nog een tijd moedig gestreden maar tenslotte moest het eskadron de ongelijke strijd opgeven. Zestig man werden gevangen genomen, de overigen hebben na enige dagen te hebben rondgezworven, de eigen linies weer kunnen bereiken.
Achteraf is gebleken dat de eskadronscommandant niet was ingelicht over het feit dat de voorposten in dit gebied reeds met de vijand in gevecht waren!5-1 R.H. onder aanvoering van de reserve kapitein der Wielrijders H.C.M. Marijnen rukte omstreeks 10.00 uur op naar het oosten tot Terschuur en tot aan de grote weg naar Apeldoorn, alwaar een peloton met zware mitrailleurs werd achtergelaten. Een peloton volgde de grote weg naar Voorthuizen, dat 6,5 kilometer verder naar het oosten lag.
Het eskadron (minus twee pelotons) maakte onder aanvoering van de eskadronscommandant een omtrekkende beweging om de noord met de bedoeling de vij and in Voorthuizen in de rug aan te vallen. In Voorthuizen stootten de beide pelotons op de vijand, die aanzienlijk sterker bleek te zijn dan men had verwacht.
Een der pelotons wist zich na een kort gevecht aan zware verliezen te onttrekken. Het andere peloton bracht de vijand ondanks het weigeren van één der lichte mitrailleurs bij het Hotel ‘De Vergulde Wagen’ aanzienlijke verliezen toe. Het peloton werd omsingeld waarna de pelotonscommandant, die geen enkele mogelijkheid meer had om aan een totale vernietiging van het peloton te ontkomen, zich overgaf.
Het andere peloton dat van Terschuur uit opmarcheerde in de richting van Voorthuizen raakte in gevecht met de vijand waarbij een onderofficier en dertien huzaren gevangen werden genomen.
Het zwaar gehavende eskadron verzamelde ten westen van Terschuur en ging daarna op last van de regimentscommandant opnieuw terug naar Terschuur. Hier aangekomen raakte het eskadron in gevecht met een drietal vijandelijke pantserwagens die zich echter terugtrokken. Terschuur bleef in het bezit van het eskadron.
Om 18.15 uur kwam het bericht van de regimentscommandant dat het eskadron zich achter de stelling moest terugtrekken. Vermist werden op dat moment 1 officier, 6 onderofficieren, 1 korporaal en 27 huzaren, Een huzaar was gesneuveld.
3-1 R.H. onder aanvoering van de reserve ritmeester C. Huisken had opdracht in de richting van Nijkerk en oost daarvan, verkenningen uit te voeren.
Eerst werd een peloton op verkenning uitgezonden, dat tot ongeveer 2 kilometer noordwest van Barneveld was gekomen en dat vaststelde dat Barneveld door sterke vijandelijke eenheden was bezet. Op de terugweg ontving het peloton vuur ten zuidwesten van Nijkerk.
Om omstreeks 16.30 uur bevond het eskadron zich in Nijkerk en werd aldaar verrast door vijandelijke pantserwagens die ongemerkt uit zuidoostelijke richting tot middenin het eskadron hadden kunnen oprukken. Er ontstond een hevig gevecht waarbij de commandopost van het eskadron drie keer door granaten werd getroffen en waardoor onder andere de aldaar aanwezige mitrailleurmunitie ontplofte. Gedurende dit gevecht raakten twee pelotons, de sectie zware mitrailleurs en de eskadronscommandant dermate in de klem dat verder verzet nutteloos bleek en men zich moest overgeven. Een deel van een noordelijker gelegen peloton heeft zich nog aan de greep van de vijand kunnen onttrekken.
Bij het gevecht in Nijkerk sneuvelde een huzaar van het eskadron en een huzaar van de sectie zware mitrailleurs.
Bij de Regimentsstaf was men van de gevechten die de drie eskadrons deze dag voor de stelling hadden geleverd in eerste aanleg geheel onkundig gebleven. Eerst om 17.00 uur kwamen de gegevens omtrent het optreden van 4-1 R.H. en 5-1 R.H. binnen. Van 3-1 R.H. ontbrak aanvankelijk elk bericht. Uitgezonden ordonnansen werden door de vijand verjaagd en eerst laat in de avond van deze fatale 12e mei kwam ook de laatste jobstijding van 3-1 R.H. binnen.
Toen ‘s avonds om 21.00 uur in de Dumoulin-Kazerne appèl werd gehouden waren niet meer dan de Regimentsstaf, het eskadron Zware Mitrailleurs (minus een sectie), het eskadron Pag., een peloton Pantserwagens en het gehavende 5-1 R.H. aanwezig. 3-1 R.H. en 4-1 R.H. waren daarbij niet aanwezig.14 mei 1940 Na de terugtocht van het IVe Legerkorps bevond het regiment zich in de omgeving van Huis ter Heide, Soesterberg en Haarzuilens alwaar het zich op het moment van de capitulatie bevond.
De verliezen van het regiment waren echter relatief hoog geweest. Aan doden, overledenen aan bekomen verwondingen waren deze verliezen: 2 officieren, 4 onderofficieren, 3 korporaals en 13 huzaren. Het 2e Eskadron Pantserwagens verloor een huzaar.
6-1 R.H. Dit eskadron was tijdelijk ingedeeld bij de Brigade A in de Betuwe. Hierbij werden meerdere patrouilles voor de stelling gereden. Bij één van deze ritten reed op 11 mei een patrouille ongelukkigerwijze in een mijnenveld bij Heteren, waardoor een korporaal en twee huzaren werden gedood en de pelotonscommandant gewond raakte.
Eindfase
De eindfase speelde zich af te Harderwijk, waar het regiment op last van de bezetter op 15 juli 1940 moest worden ontbonden. De standaard van het regiment is NIET in handen van de vijand gevallen, evenmin als de traditionele bezittingen. Gedurende de bezetting is het doek van de standaard echter verloren gegaan. Dit is bij een brand vernietigd onder omstandigheden die nu niet meer zijn na te gaan.

Bron: Vier Eeuwen Nederlandse Cavalerie

Auteur: Luitenant-Generaal der Cavalerie b.d. J.A.C. Bartels

 

 

 

 

 

 

 

 

Familie Plug

De stamboom van Trijntje Dirks Plug getrouwd met Christiaan Martens, zij is de overgrootmoeder van Ina

Dirk Jans Plug
Getrouwd met
Antje Hillebrands Ferwerda
(Hun zoon)

Hillebrand Dirks Plug (van beroep slager)
Geboren 12-11-1792
Overleden 27-03-1843
Getrouwd de eerste keer op 28-5- 1815 met
Marchjen Dirks Muurling
Geboren 22-10-1792
Overleden 01-07-1830
Hillebrand trouwt voor de tweede keer op 12-9-1830 met
Foekje Teunis van der  Veen
Geboren 1805
(zoon van Hillebrand en Marchjen)

  • Dirk Hillebrands Plug (van beroep slager)
    Geboren 16-10-1818
    Overleden 17-04-1902
    Getrouwd met
    Dina Jans de Vries
    Geboren 08-01-1816
    Overleden 28-04-1891
    (kinderen van Dirk en Dina)

    • Hillebrand, geboren 22-8-1845 ( overleden14 jaar oud )
    • Trijntje,
      geboren 11-05-1847
      2015-03-05 14.37.12
      Overleden 02-10-1915
      Getrouwd met
      Christaan Martens de Vries
      Geboren 20-04-1840,
      2015-03-05 14.37.04
      overleden 24-07-1926
    • Jan, geboren 07-10-1851 (overleden 8 weken oud)
    • Margje, geboren 07-06-1854 (overleden 23 jaar oud)
    • Jan, geboren 29-08-1856 (overleden 19-02-1900 43 jaar oud)
      Getrouwd met Kerstje Kooystra (overleden 13-08-1895 37 jaar oud Kerstje overlijdt 7 maanden na de geboorte van Jacoba)
      (kinderen Jan en Kerstje)

      • Bontje, geboren 23-09-1883
      • Dina, geboren 25-05-1885
      • Klazina, geboren 15-05-1887
      • Dirk, geboren 11-05-1889
      • Jacoba, geboren 20-01-1895
    • Jacoba, geboren 10-03-1858 (overleden 1 jaar oud)

Flip Soolsma getrouwd met Pietje Boersma

Oud-eersteklasser en oud-voorzitter van de technische commissie Flip Soolsma is donderdagavond 3 april 2008 plotseling overleden.
flip

Flip Soolsma werd geboren in St.-Annaparochie en werd slechts 60 jaar. Met zijn altijd ‘smuke’-praat op de kaatsvelden was hij een verschijning. Met Jarich van der Veen en Gerrit de Jong had hij menig succes in de vrije formatie. In 1974 wist deze formatie de PC te winnen. In 1979 en 1980 won hij de PC met Sake Saakstra en Piet Jetze Faber. In het klassement allertijden staat Flip Soolsma op de negentiende plaats met 478 punten. Hij werd 26 maal koning en won de bondspartij (nu het Nederlands kampioenschap) drie maal. Twee maal voor St.-Annaparochie (H. Spijkstra en W. Hiemstra en in 1969 met G. van der Meer en W. Hiemstra). In 1975 zegevierde hij met Johan van Seijst en Rein Ferwerda voor Drachten. Na zijn actieve kaatsloopbaan is Flip Soolsma jarenlang voorzitter geweest van de Technische Commissie.Van 1999 tot 2005 maakte hij deel uit van het bestuur van ‘Us Keatsen’. In 1999 was Flip coach van het Akkrumer damespartuur Esther Elzinga, Richtsje Jonkman en Afke Hijlkema toen zij in St. Annaparochie voor ‘Us Keatsen’ de Bondswedstrijd wonnen

 

Tjitte Stegenga en Pietertje Stegenga

Tjitte Stegenga

tjitte

Geboren 11-10-1881
Van beroep boerenarbeider
Overleden 9-7-1965
Getrouwd 12-5-1905 met
Geeske Hoogeveen

geeske

Geboren  9-11-1878
Overleden 26-2-1960

Op 12 mei 1905 werd het huwelijk voltrokken tussen Tjitte Klaas Stegenga en Geesje Tiemens Hoogeveen. Dit echtpaar kwam eerst in Follega te wonen onder anderen ook op “Het hof van Holland” staande te Easterga. Tjitte werd geboren op 11 oktober 1881 te Echten, maar woonde later met zijn ouders Klaas Stegenga en Jantje Vledder in Echtenpolder aan de Ringvaart in een klein huisje, een zogenaamde turftent zoals er zoveel stonden in Echtenpolder nu Bantega. Die turftent of dat kleine huisje had in zijn geheel vroeger 45 gulden gekost. Het was van oudspul opgebouwd, afkomstig uit Oldeouwer. Het huisje stond op een strook onontgonnen land van ongeveer 2 hectare, welke ook het eigendom was van Klaas en Jantje. Helaas is Klaas Stegenga reeds jong overkeden op 45 jarige leeftijd en bleef zijn vrouw achter met een zevental kinderen. Zij moest dus zelf de kost verdienen voor haar gezin. Dit gebeurde op verschillende manieren. De oudste kinderen waren al vroeg de deur uit en verdienden hun eigen kostje en verder liep zij met “bollekorf” en was ze ook wel baakster. De bollekorf betekende, met bakkerswaren in een korf bij de deuren langs venten. Een vent vergunning was in die tijd nog niet nodig. Elk zag op zijn eigen manier aan de kost te komen. Jantje is later nog getrouwd geweest met jan Strampel, maar werd al snel voor de tweede keer weduwe. In het jaar 1911 kocht Tjitte van zijn moeder de strook woeste grond van 2 hectare en liet een nieuw huis bouwen van oude steen aan de Middenweg op deze strook.
2015-03-10 16.10.00
De stenen van dit huis welke afkomstig zijn van een schouwburg uit Amsterdam werden door hem gekocht van de veenbaas van Echtenpolder. Het huis bevatte een kamer met daarin twee bedsteden, waaronder een kelder, vervolgens een achterhuis, er was in in de ene hoek een schoorsteen voor de kookkachel en midden in het vertrek een trap of liever een ladder naar de zolder. Op de zolder waren ook twee bedsteden aangebracht. Vanuit het achterhuis kon men door een deur in de koestal komen. Het was slechts één stal voor twee koeien, acher de stal langs was een kleine koegang en dan was er nog een kleine ruimte over om wat hooi op te bergen. Het was dus eigenlijk een klein boerderijtje, of liever een huis met een ingebouwde stal. Het hele geval kostte Tjitte toen ƒ 1000,– en het land had hij van zijn moeder gekocht voor ƒ 750,00 in die tijd 1911 voor een arbeider veel geld. Zo trokken dan in 1911 Tjitte en Geesje in hun nieuwe huis in Echtenpolder.

Wat hebben Tjitte en Geesje gewerkt om hun huis en land boven water te houden en de kost te verdienen voor hun gezin. Drie kinderen waren inmiddels in Follega geboren, Jantje Tiemen en Corneliske, in Bantega zijn later nog vijf geboren: Pietje, Klaasje, Aaltje, Fintje en Leentje. Ook Geesje haar moeder, is nadat haar man gestorven was bij hen komen wonen. Dat was beppe Corneliske Pranger. Zij is daar ook overleden en stond opgebaard in de kamer, Tjitte en Geesje en hun kinderen woonden die paar dagen wel zolang in het achterhuis en de koestal. Tjitte was een werkman van de eerste soort. Van allerhande werk heeft hij gedaan. Hij pakte alles aan, als hij maar wat verdienen kon. In de zomer bij de boer en in de winter in het riet en kon men niet werken vanwege de vorst, dan gingen hij en zijn zoon Tiemen ’s avonds naar zee spieringvissen. De gevangen vis werd dan de andere dag weer aan de deur verkocht voor 10 cent het pond. Dan had men die dag toch nog een redelijke verdienste. Zo gingen Tjitte en zoon Tiemen vroeger in herfst ook altijd naar de klei om winteraardappels. Ze waren dan ongeveer een week van huis met de praam. Er zat een klein voorondertje in. Daar sliepen ze ’s nachts en over dag zorgden ze voor hun eigen potje. De heenreis ging over het Tjeukemeer maar de terugreis gingen ze binnendoor, de trekvaarten langs. Dan hadden ze een flinke vracht. Ze namen meestal zo’n 250 korf aardappels mee en dan nog wat kool, koolrapen en winterwortelen. Tiemen liep voor de praam te trekken en vader Tjitte bestuurde het vaartuig met behulp van de vaarboom. Als ze dan weer in Echtenpolder aankwamen, gingen ze direkt de bestelde aardappelen afleveren aan verschillende adressen en hielden dan hun eigen wintervoorraad over. Dat was dan hoofdzakelijk hun verdienste.

Naast zijn werk heeft hij ook nog 2 hectare land ontgonnen. Alles met de schop en met de kruiwagen. Ook daar heeft zijn zoon Tiemen meegeholpen. Moeder Geesje molk in de zomer in de hooitijd ook nog wel bij de boeren. Ze was een beste melkster. Twaalf of dertien koeien melken met de hand was haar de gang maar. Zij was een zeer vlug en bijdehand vrouwtje. Haar dochters dienden vroeger al gauw bij de boeren. Als zij van school kwamen, moesten zij zo gauw mogelijk zelf de kost verdienen en kwamen dan bij de boeren terecht. Dat kostte soms wel tranen, want als je immers 12 of 13 jaar oud bent, dan ben je nog een kind en kun je eigenlijk niet bij je vader en moeder vandaan. Maar de kinderen moesten wat verdienen. Het ging allemaal om den brode en men wilde graag vooruit komen in het leven. Vader en moeder konden na een welbesteed leven spreken van hun eigen bedrijfje. Zij konden een stuk of 3 koeien houden en wat jong vee op eigen land. Ook huurde Tjitte de bermen van de weg. Het gras van de bermen was voor een groot deel bestemd als wintervoorraad. In de dertiger jaren werd het huis een echt boerderijtje. Er werd toen een grotere stal en een schuur achter gebouwd. Beppe Jantje Stegenga- Vledder bleef haar hele leven in haar oude kleine huisje aan de ringvaart wonen. Ondanks de grote armoede en het vele verdriet dat zij in haar leven heeft meegemaakt, bleef zij een plezierige vrouw, die op tijd nog wel van een verzetje hield. Maar aan alles komt een eind zo ook voor haar. Na een ernstige ziekte overleed ze op 24 oktober 1940 in de ouderdom van 83 jaar. Ze werd begraven op de begraafplaats te Bantega.

Na haar dood werd het oude huisje aan de Ringvaart afgebroken. En ook hier kunnen we zeggen: men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer. In mei 1955 gingen Tjitte en Geesje naar Lemmer te wonen, het boerderijtje werd verkocht en er werd een huis in Lemmer gekocht. Samen met hun dochter Fintje die nog in huis was verhuisden ze dus naar Lemmer. Heel lang hebben ze niet van hun rust mogen genieten. Moeder Geesje overleed op 26 februari 1960 in de ouderdom van 81 jaar en vader Tjitte overleed op 9 juli 1965 in de ouderdom van 83 jaar. Beide liggen begraven op het oude Kerkhof te Lemmer. Toen Fintje op 4 november 2001 overleed is ze bij haar ouders begraven. Het huis in Lemmer wordt na die tijd bewoont door de kleindochter van Tjitte en Geesje (Ienigje en haar man, de dochter van Klaasje en Ane Marten de Vries).

(Bron: Leven in werken in het Bantega van Vroeger)

Klaas & Pietertje:

Klaas: geboren in Beetsterzwaag (04-10-1885) (in het tolhuisje aan de van Harinxsmaweg) is/was begonnen als bakkersknecht en heeft een tijdje zijn beroep in Oosterzee uitgeoefend, ik ga ervan uit dat hij daar kennis heeft gemaakt met Pietertje.  Hij is met Pietertje getrouwd op 10-05-1907 in Oosterzee.

Zij hebben vier kinderen gekregen te weten: Klaas (24-03-1908), Hijlke (07-05-1911), Jan Fokke (18-03-1921), Jelle (25-04-1924). Na hun huwelijk zijn ze in Ureterp gaan wonen waar de oudste zoon (Klaas) is geboren en zijn vervolgens naar Houtigehage verhuist. Mijn vader (Hijlke) en Jan Fokke zijn daar geboren en Jelle de jongste in of op de Boelenslaan (Surhuisterveen) geboren.

Pietertje heeft in Houtigehage een klein winkeltje aan huis gehad met schilderspullen, ze hadden kippen en een of twee koeien voor de eieren en melk voor eigen gebruik en voor de verkoop.

In 1933 zijn ze verhuist naar Vlieland.

Klaas is daar begonnen als bakkersknecht en heeft op Vlieland het Friese suikerbrood geïntroduceerd, naast het zijn van Bakkersknecht is hij ook actief geweest als (Huis)schilder en als arbeider (hand en span diensten).

Pietertje is overleden op 04-11-1964 te Vlieland, Klaas is overleden op 06-06-1974 te Vlieland)

 

 

Klaas (de oudste zoon) & Klaasje Klos (09-04-1904 te Dedemsvaart);

Klaas & Klaasje zijn getrouwd op 20-11-1947 te Avereest (Dedemsvaart).

Hebben geen kinderen, en zijn tot aan hun pensioenleeftijd op Vlieland gewoond. Daarna zijn ze naar Meppel verhuist waar ze ook zijn overleden. Klaas is overleden op 14-02-1986 te Meppel, Klaasje is overleden op 04-12-1999 te Meppel).

Klaas heeft als land- en strandwerker gewerkt op Vlieland, en had als bijbaantje kapper (alleen mannen, het al oude en bekende model, hij heeft mij ook een aantal keren geknipt).

Klaasje heeft lange tijd in bakkerswinkel gestaan als verkoopster. Van de familie Klos weet ik niets behalve dan dat een familie is van binnenschippers.

 

 

Hijlke en Theodora Elgersma (Thea) (31-07-1911, Amsterdam); (Mijn ouders)

Hijlke en Thea zijn getrouwd op 07-07-1938 te Vlieland, zij hebben drie kinderen gekregen te weten: Gretha, Klaas, Jacoba (Cobie), allen geboren op Vlieland.

Hijlke is (huis)schilder geweest. Was tot eind 1948 begin 1949 eigenbaas op Vlieland. Vervolgens in loondienst gegaan in Culemborg, Utrecht, Maarssen waar wij zijn opgegroeid.

Thea is huisvrouw geweest.

Hijlke is overleden op 15-02-1993 te Utrecht en Thea is overleden op 31-10-1998 te Maarssen.

 

Gretha (23-07-1941): Verpleegkundige; alleenstaand

Klaas (01-04-1945): elektronicus; getrouwd, drie kinderen

Cobie (20-10-1946): receptioniste, huisvrouw; getrouwd, twee kinderen

 

 

Jan Fokke en Grietje Bruinsma (28-11-1921, Drachten);

Jan Fokke & Grietje zijn getrouwd op 07-05-1943 te Vlieland, zij hebben twee kinderen gekregen te weten: Klaas Hijlke geboren op Vlieland en Johannes Jan geboren in Leeuwarden.

Jan was Strandwerker en vakbondsman.

Grietje was huisvrouw en zomers gastvrouw (zij hadden een eigen pension).

Jan Fokke is overleden op 04-02-2004 te Vlieland, Griet is overleden op 12-02-2015 te Vlieland.

 

Klaas Hijlke (03-07-1946): als waterbouwkundige betrokken bij het beheer van de Waddenzee, getrouwd, drie kinderen

Johannes Jan (01-04-1960): Timmerman, getrouwd twee kinderen, overleden op 05-11-2006 Drachten.

 

 

Jelle & Neeltje Trijntje Roos (Nelie) (17-02-1924 Terschelling);

Jelle & Nelie zijn getrouwd op 10-05-1951 te Vlieland, zij hebben vier kinderen gekregen te weten: Anne, Klaas, Ietje en Jilles alle geboren op Vlieland.

Jelle: chauffeur en bosarbeider hij heeft tot medio 1969 op Vlieland gewerkt en heeft daarna een werkplek op de wal verworven.

Nelie: huisvrouw, ze zijn beide actief geweest in het verenigingsleven.

Jelle is overleden op 04-08-1984 te Hoorn, Nelie is overleden op 08-06-2007 te IJmuiden.

 

Anne (08-06-1952): werkt op Schiphol bij dnata-cargo als medewerker Claims, alleenstaande

Klaas (28-12-1953): leraar, getrouwd, twee kinderen

Ietje (27-01-1957): Drogist, getrouwd, twee kinderen

Jilles (03-05-1961): getrouwd, twee kinderen

Durk Hooghiemster boer in de 19e eeuwse landbouwcrisis

Durk Hooghiemster boer in de 19e eeuwse landbouwcrisis
dhooghiemster3
Durk Herres Hooghiemster stamde uit een oud boerengeslacht.  Een voorvader van hem, Gerben Jans, werd reeds in 1640 genoemd als bewoner van de boerderij het “Heech-hiem” in de buurtschap Goïngahuizen onder Boornbergum. Durk Oenes (zijn grootvader) had in 1811 de familienaam Hooghiemster aangenomen. Durk Herres, geboren op 8 augustus 1848 te Goïngahuizen, had een oudere broer die volgens traditie de familieboerderij overnam. Zo kwam het dat onze Durk iets anders ging zoeken. Hij belandde op Asinga State en trouwde op 25 jarige leeftijd met de boerin! De boerderij Asinga ligt precies tussen de Wijde Steeg in Irnsum en de grote spoorbrug bij Grouw

(foto Asinga State)

Op 12 mei 1865 werd Klaas Baukes Boersma boer op Asinga State. Twee dagen daarvoor trouwde hij met Sietske Klazes Bergsma, een boerendochter uit Poppingawier, geboren 14 augustus 1843. Klaas Boersma was een broer van “earme” Antje Boersma. Hij was nog maar 32 jaar, toen hij in december 1870 overleed. Zijn 27-jarige weduwe bleef met drie jonge kinderen op de boerderij achter. Ruim 7 maanden na de dood van Klaas werd nog een dochtertje geboren, dat korte tijd later stierf.

Waarschijnlijk was Durk al enige jaren boerenarbeider geweest. Wellicht was hij aangesteld als bedrijfsleider op Asinga State. In ieder geval trouwde hij op 20 mei 1874 te Grouw met de vijf jaar oudere boerin-weduwe. Binnen één jaar werd hun eerste kind geboren. Daarna zouden er nog drie volgen. In 1880 werd in een acte van boedelscheiding bepaald dat de boerderij in de familie zou blijven en niet mocht worden verkocht voordat de kinderen van Bauke Boersma meerderjarig waren. Durk en Sietske hadden dus wel de inkomsten, maar niet het eigendom van de boerderij.

Uit haar eerste huwelijk had Sietske drie dochters en één zoon, uit haar tweede huwelijk precies omgekeerd: drie zoons en één dochter. De kinderen, die ze met Bauke Boersma had, bleven de rest van hun leven in Friesland wonen. Opvallend is dat alle kinderen uit haar tweede huwelijk met Durk Hooghiemster allen uiteindelijk buiten de provincie terecht kwamen.Tot het einde der vorige eeuw vond de zuivelbereiding op de boerderij plaats. Zo waren er in het begin van de zeventiger jaren wekelijkse botermarkten, ondermeer in Oldeboorn en Akkrum. Boter- en kaasmarkten werden gehouden in o.a. Grouw en Rauwerd. Alle vee- en graanmarkten meegeteld, waren er in die tijd 24 marktplaatsen in Friesland. De eerste Friese coöperatieve kaas- en boterfabriek werd opgericht in 1876 te Warga. Het dorp Irnsum volgde reeds in 1888 en één van de oprichters was Durk Hooghiemster. Uit familie-overlevering weten we dat Durk een echte paardenliefhebber was, die “nogal wat deed aan harddraverijen”. Of hij zelf meedeed is niet bekend. In de 19e eeuw was het harddraven van paarden hier de meest populaire sport, vooral bij de dorpskermissen. In ieder geval is Durk Hooghiemster altijd een echte levensgenieter geweest, die geen jaarmarkt oversloeg. Als hij “mei de frou yn’t gouden earizer” met de tilbury uitreed, kon het gebeuren dat hij vergat de hekken te sluiten. Het gevolg was dat men na thuiskomst het weggelopen vee op de wonderlijkste plekken terugvond…

De “Joustermerk” was van de grote jaarlijkse markten in Friesland wel één van de meest bezochte. Joure kreeg al in 1466 marktrecht en ruim vijf eeuwen later is de Joustermerk nóg een begrip. Uit “Honderd jaar Friese landbouw” van Pieter Terpstra: “Vooral de boeren en boerinnen werden, als ze na de Joustermerk terugkeerden naar hun boerderijen, langs de wegen opgewacht door zingende, juichende en roepende kinderen. De meisjes hielden de schortjes op en de jongens staken de handen uit, want heel wat boeren waren in een royale bui en hadden op de markt een hoeveelheid snoepgoed ingekocht om het aan de wachtende kinderen te geven.”

Durk’s beheer is niet erg gelukkig geweest, althans volgens zijn stiefkinderen. Ze vonden dat hij met zijn zijn vrolijke levensstijl goede sier maakte van hun erfenis… Het bleef hem niet voor de wind gaan, want in 1894 tekent Durk Hooghiemster een verklaring waarin hij afstand doet van “zijn vordering op de boterfabriek, wegens inleggeld voor 23 koeien, samen f 115, en zijn aandeel in de hengst te Irnsum voor f 25″. Het ligt voor de hand dat hij geld had geleend, wat hij niet meer kon terugbetalen.

Vanaf het midden der 19e eeuw had de boerenstand een jarenlange bloeiperiode gekend, tot een enorme teruggang daaraan een einde maakte. De grote agrarische crisis die West-Europa trof, begon omstreeks 1878. Boeren die kort geleden nog rijk waren geweest konden het hoofd niet meer boven water houden en het platteland verarmde… Pas na 1895 zou er weer sprake zijn van een opgaande lijn in de agrarische economie. In de nadagen van deze crisis viel voor Durk Hooghiemster het doek, want op 8 juni 1895 moest hij de imposante boerderij verruilen voor een winkeltje in Irnsum. De eigenaar hiervan was Doeke Boersma, die ook in andere plaatsen kruidenierswinkels bezat.

Durk bleef een vrolijk mens, die zijn aard niet verloochende. Kinderen die om een boodschap kwamen stopte hij royaal snoep toe. Over winst en liquiditeit bekommerde hij zich niet. Hij is ook nog cafehouder geweest in “De Gouden Leeuw”. Het echtpaar Hooghiemster bleef in Irnsum wonen, en Durk maakte later plezier met zijn kleinkinderen. Sietske overleed in het ziekenhuis te Leeuwarden, 77 jaar oud. Durk Hooghiemster is 79 jaar geworden, en begraven naast Sietske en haar eerste man. Na zijn dood werd Durk Hooghiemster omschreven als “een wat romantische figuur die met iedereen kon opschieten en ieders achting genoot”. Een financieel genie is hij nooit geworden, zodat de notaris zijn erfgenamen adviseerde de nalatenschap te verwerpen…

Bron: www.Irnsum.nl (Dhr. Schouwstra)