Categorie archief: Melein, Hoogeveen en Stegenga in de Tiendaagse Veldtocht

Mobiele Vriesche Schutterij

Waar drie families (Fam. Melein en Fam. Hoogeveen Fam Stegenga) elkaar tegen komen bij de Vriesche Schutterij

Antonius Petrus Melein 1791-1840 In 1836 diende hij als Schutter bij het Eerste Bataljon, den Eersten Afdeling Mobiele Vriesche schutterij. Signalement van Antoon,Lengte: 1.78 m, Aangezigt: Grauw, Voorhoofd: Plat, Oogen: Bruin, Neus: Dik, Mond: idem, Kin: Rond, Haar: Zwart, Wenkbraauwen: Zwart, Merkbare teekenen: Gemis van een lid van de centrale vinger
Melin, Antoon geb. Leeuwarden 18.07.1791 z.v. Joseph en Maria Dodeman, vrijwilliger 1e afd., 1e bat., 6e comp. inv.nr.127;
Welmer Kornelis Hogeveen,
Geboren op 16-10-1802 in Scherpenzeel
Overleden op 29-08-1837
Militair in de Friese Schutterij en deel genomen aan de Tiendaagse Veldtocht
2e afd., 1e bat., 4e comp.; 05.08.1831 wegens ernstige ongesteldheid naar het hospitaal getransporteerd; inv.nr.130; Raf Sonnega

Wybren Anes(Stegenga), schutter in het leger van koning Willem I, geboren op 14-02-1800 te Sondel, gedoopt (hervormd) op 09-03-1800 te Sondel, overleden op 12-08-1831 te Leuven op 31-jarige leeftijd, “Gesneuveld voor Leuven” (Dit betreft de Slag bij Leuven aan het eind van de Tiendaagse Veldtocht georganiseerd door koning Willem I der Nederlanden i.v.m. de Belgische opstand)
mobieleSchutterij
Anne Kornelis Hogeveen,
Geboren op 06-03-1806 in Scherpenzeel
Overleden op 21-08-1832 in ’s Hertogenbosch, 26 jaar oud.

Beroep: militair

In augustus 1830 brak in België een opstand uit die uiteindelijk leidde tot afscheiding van het Verenigd Koninkrijk der  Nederlanden en het ontstaan van het huidige koninkrijk België. Koning Willem I wenste zich echter niet bij deze toestand neer te leggen en wilde de Belgen gewapenderhand tot de orde roepen.
Op 2 augustus 1831 trok het leger van de Noordelijke Nederlanden België binnen. Het optreden van dat leger was zo succesvol dat het Belgische leger op het punt stond te worden verslagen en Brussel kon worden binnengetrokken.  Hierop kwamen de Fransen met een leger de Belgen te hulp. Willem I wenste geen confrontatie met het Franse leger en bovendien drong Engeland erbij de Nederlandse koning op aan zijn legers terug te trekken. Hieraan werd op 12 augustus 1831 voldaan. Aldus eindigde de Tiendaagse Veldtocht. Het heeft tot 1839 geduurd voordat de koppige Willem I zich bij de deling neerlegde en een eind kwam wat ook wel spottend “Oranje’s oorlog” werd genoemd.

 

Zoals in vele oorlogen was ook Jan Soldaat de hoofdpersoon in de Tiendaagse Veldtocht en wat daarna nog volgde. De anonieme honger- en dorstlijder in het Nederlandse veldleger in de dertiger jaren van de kneuterige negentiende eeuw. In dat leger heerste nog hetzelfde standsverschil als in het Napoleontische leger. Van het sneuvelen van Jan Soldaat werd de familie niet of nauwelijks op de hoogte gesteld en nauwelijks een overlijdensakte opgemaakt. Ten opzichte van de Franse tijd was er wel een verbetering als je dat tenminste zo kan noemen. In de Staatscourant werden de  namelijk de gesneuvelden/gewonden vermeld. Opvallend is dat bij de Friese schutterij en infanterie bij de officieren wel en de overigen meestal geen initialen worden aangegeven. Als Jan Soldaat in een hospitaal krepeerde werd daarvan wel een overlijdensakte opgemaakt zoals ook onder het Franse regime het geval was geweest. In lang niet alle gevallen werd van die overlijdensakte een afschrift aan de gemeente van inwoning gezonden.

Jan Soldaat moest wel heel moedig, trouw en beleidsvol zijn als hij de Militaire Willemsorde 4e klas verdiende. Deze was meestal voorbehouden aan de officier, vaak van adel en met meer dan een dubbele voor- en achternamen.

Een mooi voorbeeld van het standsverschil en de veronderstelde incompetentie van Jan Soldaat tot bevelvoerend officier bij de schutterij is de benoeming van de Michael Onuphrius. baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, grietman van Het Bildt tot kapitein in het 2e bataljon van de 1e afdeling van de Mobiele Friese Schutterij.

De besturen van de grietenijen mochten een voordracht doen aan de koning voor de commandant en andere officieren van hun schutterijen. Deze moesten “bij hunne geschiktheid voor zoodanige betrekking, tevens deelen in de achting hunner ondergeschikten en door hunne stand in de Maatschappij het vereischte gezag over hen kunnen uitoefenen”

De grietman (=Schwartzenberg) en assessoren van Het Bildt vonden de koopman en bakker Johannes Jans Kuiken te Sint Annaparochie als zodanig geschikt. Hij had gediend bij het 1e bataljon van de 8e afdeling infanterie, weliswaar “niet ten volle aan de vereischten eener Kommandant voldoende, die ons evenwel uit de 137 van de 1e Ban der Rustende Schutterij dezer Grietenij behorende, tot deze betrekking het geschiktste voorkomt”.

De gouverneur des koning in Friesland, A.M.baron van Zuylen van Nijevelt, had bedenkingen tegen deze voordracht. Men had moeten kiezen voor een officier bij ‘t leger of bij de schutterij.

In ieder geval voor “iemand uit den stand der Maatschappij die daardoor over zijne ondergeschikten het vereischte gezag zal kunnen uitoefenen.” Het zal duidelijk zijn dat de koopman en bakker niet voor de functie van officier in aanmerking kwam. Kapitein Michael Onuphrius baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg bleek een goede keus. Met zijn luitenant K.O.van der Veen werd hij benoemd tot ridder in de MWO 4e klasse en op 10 october 1831 meer dan 50 jaar oud, op eigen verzoek eervol bij de schutterij ontslagen.

Er is een interessant verslag bewaard gebleven van Harmanus Boekhout Klaasesz te Ternaard, luitenant bij de 1e afdeling, 3e bataljon, 5e compagnie bewaard gebleven onder de titel “Herinneringen van een Friesche schuttersofficier 1831-1834. Hij was een zoon van de Dokkumer notaris Jan Klaasesz. en vertelt zijn belevenissen als schuttersofficier. Over het wel en wee van zijn manschappen wordt met geen woord gerept. De enige keer dat hij deze noemt is als hij met een aantal van hen kaart en opmerkt dat zij wel verguld zullen zijn geweest dat hun luitenant bij hen aanschoof.
korporaal%20inleiding
Een korporaal sluit een kennelijk aangeschoten soldaat op onder de toren.

Ook de geneesheer Hendrik Gerrit Cannegieter besteedt als kapitein bij de Mobiele Friese Schutterij nauwelijks aandacht aan  de manschappen van de kompagnie waarover hij het bevel voerde. Manschappen die hij overigens constant als “volk” aanduidt.  Ook Tjalling Minno Watze baron van Asbeck, commanderende het 1e bataljon van de 2e afdeling der Mobiele Friese Schutterij geeft in zijn Journaal een overzicht van zijn belevenissen. Interessant zijn de belevenissen van de dienstplichtig soldaat Hessel Brolsma uit Stiens tijdens de Belgische Opstand samengesteld uit zijn bewaard gebleven 84 brieven weergegeven in “Een slagje hier en daar” (Brolsma, Ulke Hesel, Ljouwert/Utert 2006).

Een ander voorbeeld is het standsverschil in de bestraffing der manschappen en officieren. Een Noordhollandse schutter beklaagt zich daarover bij dronkenschap en andere uitspattingen. Kwam Jan Soldaat te laat of aangeschoten binnen dan kon hij op een paar dagen provoost rekenen. En er werd louter uit verveling wat afgezopen op de Brabantse heide. Kwam een officier laveloos binnen of had hij in het dorp de beest uitgehangen, dan werd hij netjes door de wacht in zijn tent afgeleverd en kraaide er verder geen haan naar.
Op 2 augustus 1831 beginnen de drie Nederlandse divisies aan hun opmars naar de Belgische grenzen. De volgende dag staat het gehele leger op Belgisch grondgebied. Belangrijke schermutselingen met het Belgische leger hebben dan nog niet plaats gevonden

Op 5 augustus 1831 raakt het peloton Vrijwillige Leidse Jagers, dat deeluitmaakte van de derde divisie, te Beeringen in gevecht met Belgische eenheden. Het kost het leven aan een 19-jarige Leidse student, de eerste van de divisie. De 6e augustus is een rustdag voor de drie divisies. De reserve-divisie met de Friese schutters is echter nog steeds in opmars. Deze divisie is de eerste dagen van augustus langzaam België binnengetrokken langs de straatweg van Eindhoven naar Hasselt. Op 5 augustus heeft het te Hechtel een kort vuurgevecht met een Belgisch bataljon plaats dat zich echter al spoedig terugtrekt. De commandant van het Belgische Maasleger krijgt order naar Hechtel op te rukken. De Belgische legerleiding heeft echter geen idee van het doel van de Nederlandse opmars. Zo bevindt zich het Belgische Maasleger op 6 augustus in de direkte omgeving van de Nederlandse reserve-divisie dat die dag de opmars over de straatweg naar Hasselt voortzet.  Zonder dat het de noodzakelijke verkenningen uitvoert denkt het hoofdkwartier dat het Belgische Maasleger zich in de omgeving van Hasselt en Tongeren bevindt.

Zo bevindt het Belgische Maasleger op 6 augustus op in de direkte omgeving van de Nederlandse reserve-divisie. Deze divisie ontmoet hetzelfde bataljon Belgen als de vorige dag. Het Belgische bataljon trekt zich daarop terug in de richting van Houthaelen.  Even ten zuiden van dat dorp ligt de Winterslagse heide waar het gehele Belgische Maasleger in gevechtsopstelling de vijand staat op te wachten. Cort Heyligers, de commandant van de reserve-divisie begrijpt dat hij in een netelige positie is terecht gekomen.
winterslase heide
Belgische troepen tegenover Friese schutters in gevecht op de Winterslagse Heide

10.000 man bij 6.000 man Nederlandse hoofdzakelijk bestaande uit schutters!   De Nederlandse commandant besluit echter het eenmaal begonnen gevecht voortgang te zetten. Zijn tactiek is erop gericht de vijand in de waan te laten met een grote overmacht te doen te hebben. Terugtrekken zou bovendien ernstige gevolgen hebben voor het welslagen van de veldtocht. Het gevecht duurt met wisselend succes de gehele dag door. Uiteindelijk is er nog een vers bataljon, het 2e bataljon van de 2e afdeling der Mobiele Friese Schutterij onder commando van de luitenant-kolonel Tjalling Tjallingii.het 2e bataljon van de 2e afdeling van de Mobiele Friese Schutterij.
De Friezen doen de kansen keren en bereiken de eerste huizen van Houthaelen. Daarna weten Noordhollandse en Gelderse schutters een Belgische tegenaanval af te slaan. Bij de invallende duisternis worden de gevechten gestaakt. Er is geen verliezer en winnaar. Aan Nederlandse zijde zijn 16 gesneuvelden en 77 gewonden.

Na een rustdag op 6 augustus 1831 zet de hoofdmacht van het Nederlandse leger zich in beweging met het doel het Belgische Maasleger te verslaan. Daarbij zal op zondag 7 augustus in de buurt van Kermpt een van de bloedigste gevechten van de hele veldtocht plaatsvinden. Daarbij was de 3e divisie betrokken waarvan ook het 2e bataljon van 1e afdeling van de Mobiele Friese Schutterij betrokken. De situatie wordt door de staf van de 3e divisie danig onderschat. Deze denkt dat het treffen niet meer is dan een voorpostengevecht. Het heeft in feite echter met een groot deel van het Belgische Maasleger te maken. Na aan beide zijden met wisselend succes te hebben gestreden brengt kolonel Stoecker de volledige Nederlandse 1e brigade in de strijd. Daarbij zet een bataljon Friese schutters onder donderende”hoera’s”een onstuimige tegenaanval. Er ontstaat al spoedig een gevecht van man  tegen man waarbij de Friezen hun jachtmessen gebruiken. Zij klagen er namelijk over dat de kolven van hun geweren te licht zijn om daarmee de Belgische koppen te verpletteren. De verliezen aan beide zijden zijn hoog. De Nederlandse verliezen waren 89 doden en gewonden. Onder de Belgen worden de Friese schutters gevreesd: “zij hebben geen politesse, zij slaan met kolven en steek met messe”. De verliezen van de 5e compagnie van kapitein Hendrik Gerrit Cannegieter waren 3 man en 9 gewonden. Voor zover de namen van de gesneuvelde/gewonde Friezen bekend zijn, zijn deze opgenomen in de bestanden Friese schutters en Andere Friese militairen.  De volgende dag worden de lijken gevonden van een Friese schutter en zijn Belgische tegenstander. Zwaar gewond hadden zij nog kans gezien elkaar te wurgen. Andere lijken waren geheel ontkleed. Voor hen die nog in 1815 bij Quatrebras hadden gevochten geen onbekend verschijnsel. Cort Heyligers, de commandant van de reserve-divisie geeft de Friezen een eervolle vermelding in zijn dagorder van 7 en 8 augustus 1831

Van de schutters die aan de Tiendaagse Veldtocht deelnamen, leden de Friese schutters de  grootste verliezen. Volgens de gegevens in een Staatscourant in 1831 telden zij 14 gesneuvelden en 63 gewonden. Van de gewonden overleed een aantal kort na het gevecht of later alsnog in een (ambulant) hospitaal. Opvallend is dat in het overzicht van de gesneuvelden en de gewonden in de literatuur bij de officieren wel en bij de overige manschappen zowel bij de schutters als infanteristen geen initialen worden vermeld ( zie Staatscourant).
kermpt2a
Friese schutters bij Kermpt

Leefomstandigheden

Het was een warme dag, die 2de augustus 1831 toen de opmars naar Belgisch gebied begon. Aan de voedselvoorziening van het oprukkende leger mankeerde echter van alles. Wat dat betreft hadden de officieren die nog onder Napoleon hadden gediend, weinig geleerd. Zo was erop die hete dag nergens water te vinden. Bij een aantal onderdelen is ook de voeding beslist onvoldoende. De soep is dikwijls zo zout dat de dorst alleen maar erger wordt. Opvallend is dat in de lijsten van de Friese schutters die worden voorgedragen voor Het Metalen Kruis op 2 augustus 1831 veel aantekeningen voorkomen van opnamen in een hospitaal.

Mogelijk ook veroorzaakt doordat velen het marcheren door het rulle zand op snikhete dagen teveel werd. Het geweer op zich met vijftig patronen was al zwaar. Dan nog een broodzak met wat levensmiddelen en een veldfles. ( die overigens meestal leeg waren) en dan nog een ransel van 10 tot 15 kg.

Om de bepakking lichter te maken worden allerlei overbodige kledingstukken stiekem weggegooid en ligt de weg bezaaid met uitrustingsstukken. Het aantal achterblijvers groeit gestadig. Van hen moeten zeker twee de mars met de dood bekopen. Ook neemt het aantal deserteurs toe.

Flankeur der schutterij

Flankeur der schutterij

Soms komt het tot ongeregeldheden als ‘s avonds wordt gebivakkeerd en weer geen voldoende voedsel en drinken aanwezig blijkt te zijn. Het gevolg zijn plunderingen waarbij het soms hardhandig toegaat.
Het opperbevel komt dit ter ore met gevolg dat met betaalde vordering van voedsel het probleem enigszins wordt verbeterd. Het kan niet uitblijven of de Belgische pers komt dit ter ore en werkt als koren op de molen van de nieuwe Belgische regering.
Na de wapenstilstand van 12 augustus 1831 weer in Nrd.Brabant teruggekeerd, worden de leefomstandigheden nauwelijks beter. Deze omstandigheden waren op het Brabantse platteland in vergelijking met Friesland ronduit  slecht. De boerenbevolking was arm en de grond idem.

De mannen werden gelegerd in tentenkampen of ondergebracht bij particulieren. Op het Brabantse platteland hoofdzakelijk bij boeren. Het verblijf in een legertent was vooral in de zomer beter dan in de wel heel kleine kamertjes en lage zolderingen van de Brabantse woningen.

Legerkamp te Oirschot

Legerkamp te Oirschot

Na de Tiendaagse Veldtocht marcheerden de verschillende legerafdelingen op het Brabantse Legerkamp te Oirschot platteland nogal wat heen en weer. Soms was het kamp nauwelijks ingericht of er kwam bevel om de zaak weer op te breken.
De legerkampen op de Brabantse heide waren vaak op onbeholpen wijze geïmproviseerd. Zelfs naar Nederlandse begrippen waren de sanitaire voorzieningen ten hemel schreiend.  Goed drinkwater was nauwelijks aanwezig en van wassen was helemaal geen sprake. Het was geen wonder dat op 29 augustus 1832 in het kamp te Oirschot de cholera uitbrak. In snikhete tenten lager de zieke soldaten bij tientallen op het stro dat door hun diarree was bevuild en begonnen te stinken. Er waren nauwelijks hospitaalsoldaten. Vaak waren dat sappeurs (geniesoldaten).Ook de dienstdoende militaire geneesheren konden nauwelijks iets uitrichten.

Vermoedelijk verblijft de compagnie van de eerder aangehaalde Cannegieter in augustus 1832 in het legerkamp te Oirschot. Zijn handschrift vermeldt: “tot overmaat van ramp kwam de cholera ons hier ( = Oirschot) een bezoek brengen”, doch over de slachtoffers geen woord.

Opvallend is het aantal vermeldingen van een opname in een hospitaal. Helaas wordt daarbij nooit de oorzaak vermeld. Wie de literatuur op dit punt leest krijgt de indruk dat de gevolgen van de cholera werden gebagatelliseerd of met opzet verzwegen. Hoewel van zijn onderdeel een aantal manschappen in het hospitaal te Bergen op Zoom overlijden, rept  luitenant Klaasesz uit Ternaard in zijn verslag met geen woord over de ziekte. De schutters Paulus Kornelis Buwalda uit Lioessens schrijft in zijn brief naar huis van 12 juli 1832 uit Geldrop bijna angstig dat “de ziekte” steeds dichter bij schijnt te komen.

 

De meeste Friese schutters zijn minstens 4 jaar van huis geweest. Wel werd een periodiek verlof van vaak veertien dagen verleend. Reisgeld werd niet verstrekt en hoe groot de soldij was heb ik niet kunnen ontdekken. Een Amsterdamse schutters vermeldt in zijn dagboek dat hij 75 cent traktement ontving. Dat lijkt mij teveel voor 1 dag.
Op 6 september 1834  wordt het bataljon Friese stedelijke schutterij onder commando van  J.G.van Wageningen en dat der landelijke schutterij onder bevel van commandant Ampt  feestelijk in Friese de hoofdstad ingehaald. In de loop van 1834 zijn de meeste Friese schutters die aan de krijgsverrichtingen in 1830 en 1831 hebben deelgenomen weer naar hun woonsteden teruggekeerd. Nieuwe lichtingen hebben dan hun plaats ingenomen